![]() |
|
||||||||||||||||
| De website voor informatie over het gehoor | |||||||||||||||||
|
Geluiden geven ook structuur aan de ruimte om ons heen, doordat we in staat zijn zowel de afstand tot als de richting van waaruit geluiden komen, kunnen bepalen. Aan de hand van de intensiteit van een geluid, door eventuele reflecties en het daaruit voortvloeiende frequentiespectrum, is de afstand tot een geluidsbron te bepalen. Voor het goed kunnen bepalen van de richting is het belangrijk dat we twee functionerende oren hebben. Aan de hand van tijd-, intensiteit-, fase en frequentieverschillen kunnen we bepalen uit welke richting een geluid komt.
Een goedhorende is in staat zeer kleine looptijdverschillen waar te nemen. Wanneer een geluid van recht van voren komt noemen we dit 0°.Wanneer de geluidsbron schuin rechts voor ons bevindt, zoals afgebeeld in onderstaande figuur, komt het geluid eerder aan bij het rechteroor dan bij het linkeroor.
Wanneer een geluid van recht van voren komt noemen we dit 0°.In de figuur is de situatie getekend waar een kort geluid vanuit een hoek van 45°komt. Het hoofd is hierin als bol voorgesteld met een doorsnee van 18 cm en dus een straal van 9 cm (0.08 m). Het verschil tussen in weg dat het geluid moet afleggen is dan D1+D2. De som van D1 en D2 is dan: D1+D2=0.1343 m Geluid plant zich met een snelheid voort van 340 m per seconde. Dit betekent dat het geluid 0.13/340 m = 0.0004 seconde eerder bij het linker oor is dan bij het rechter oor. Op grond van een dergelijk zeer klein tijdverschil zijn we al in staat te bepalen uit welke richting een geluid komt. Het grootste tijdverschil kan bereikt worden wanneer het geluid uit een hoek van 90 of 270 graden komt (pal van opzij). Komt het geluid recht van voren of recht van achteren dan is het tijdverschil gelijk, namelijk 0 seconden. Bij richtinghoorexperimenten waar er om de 45 graden een luidspreker is opgesteld en zowel voor als achter de proefpersoon luidsprekers staan, doen zich dan ook veel achter voorverwisselingen voor. In bovenstaande situatie is er sprake van een zeer kort geluid. Vaak wordt in dergelijke experimenten een toon gebruikt met een snelle stijgtijd (tijd die het duurt voordat het geluid zijn maximale amplitude bereikt). Wanneer zulke korte geluiden worden gebruikt speelt de frequentie geen rol. Wanneer er echter sprake is van een continu geluid, dus een geluid dat voortduurt, treed in het allereerste begin wel een tijdverschil tussen de oren op, maar dat duurt maar heel kort. Immers even later ontvangen beide oren het geluid. In een dergelijke situatie gaat de frequentie van het geluid een rol spelen. Geluid kunnen we zien als een golfverschijnsel met daarin bergen en dalen. Wanneer een geluid van opzij komt kan het zijn dat het ene oor een berg hoort en het andere een dal. Het faseverschil is dan 360 graden of te wel 2 π. Hoe snel de golven en dalen elkaar opvolgen is afhankelijk van de frequentie van het geluid. Als de frequentie 3000 Hz is zoals in onderstaande figuur, dan is de periode τ = 1/f = 1/3000=0.00033 seconde. De golven volgen elkaar in dat geval op met een tussen pose van 0.33 milliseconde. Bij een frequentie van 300 Hz is dat 3.3 milliseconde. Het geluid doet er 0.8 milliseconde erover om van de ene kant van het hoofd naar de andere kant te komen. Is er een berg aan het linkeroor veroorzaakt door een toon van 300 Hz, dan ontstaat de volgende berg 3.3 milliseconde later. Dit zal op een punt zijn dat ver voorbij het rechter oor ligt.
Het kan zich voordoen dat bij een bepaalde frequentie het faseverschil precies 180 graden is en dat golven en dalen in de oren elkaar afwisselen. Dat betekent dat bij het ene oor een berg is en bij het andere oor een dal en even later de situatie is omgekeerd. Ons oor kan helaas geen onderscheid maken tussen bergen en dalen. In deze situatie weten we niet meer welk oor nu eerst aan de beurt is. Dit doet zich voor bij 625 Hz. Is de periode kleiner dan 0.8 milliseconde zoals in het voorbeeld bij de toon van 3000 Hz dan is het faseverschil geen goede maatstaf voor het bepalen van de richting. Al vanaf 1250 Hz is de periode (1/1250) kleiner dan 0.8 ms en zijn faseverschillen alleen niet meer goed bruikbaar voor het bepalen van de richting. Gelukkig kunnen we bij de hogere frequenties van een ander verschil gebruik maken, namelijk van intensiteitverschillen. Geluiden waarvan de golflengte kleiner is dan die van het object waar ze op af komen, kunnen niet meer om het object heen buigen en botsen er als het ware tegen aan. Zo kan er een geluidsschaduw achter het hoofd ontstaan en is de intensiteit bij het oor dat in de schaduw ligt kleiner. De golflengte van onze toon van 3000 Hz is te berekenen aan de hand van de volgende formule: λ=v/f , waarbij λ de golflengte, v de voortplantingssnelheid van geluid en f de frequentie is en λ is dus 340/3000 = 0.113 m = 11.3 cm. Omdat ons hoofd een diameter heeft van zo’n 18 cm veroorzaakt deze toon een hoofdschaduw. We kunnen zo ook uitrekenen bij welke frequentie er voor het eerst een hoofdschaduw gaat optreden: f = v / λ à f = 340 / 0,18 = 1889 Hz. Echter pas bij 3000 Hz is de hoofdschaduw sterk genoeg (zo’n 5 dB) om ons te helpen bij het richting horen. In Nijmegen is door Hofman, van Rijswick en van Opstal een interessant experiment gedaan. Zij deden in de oorschelp een malletje dat het richting horen verstoorde. In het begin werden er veel fouten gemaakt, maar na enkele dagen herstelde het richtinghoren enigszins en verbeterde in de weken erna. Opvallend was dat de proefpersonen op een gegeven moment zowel met als zonder mallen konden lokaliseren. Dit betekent dat zowel oude als het nieuwe ‘richtinghoorprogramma’ in de hersenen is opgeslagen en naar gelieve kan worden gebruikt. Ook blijken onze ogen van invloed op ons richtinghoren. Niet alleen helpen ze, maar trainen ook onze hersenen bij de reconstructie van de geluidsrichting. Onderzoekers van de afdeling Biofysica van de Katholieke Universiteit Nijmegen hebben dit aangetoond. Deze conclusies vegen het idee van tafel dat blinde mensen beter zouden kunnen richtinghoren dan zienden. De resultaten van dit onderzoek staan in het februarinummer (2003) van Nature Neuroscience. De grootte van ons hoofd heeft invloed op het geluid (zoals op de intenseits- en frequentieverschillen) en daarmee ook op het richtinghoren. Tijdens de groei verandert de omvang van ons hoofd en onze hersenen moeten dat meenemen in hun berekeningen. Algemeen wordt aangenomen dat de relatie tussen deze verschillen en de geluidsrichting wordt geleerd door ervaring. Het Nijmeegse onderzoek toont nu aan dat ook onze ogen hieraan bijdragen en de hersenen dus ‘leren’ richting te horen.
|
||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||
| Copyright HOorzaken 2000-2011. Alle rechten voorbehouden | |||||||||||||||||